Het uitvoeren van een stabiele rondlooptest

Werking van een stabiele rondlooptest

Veel factoren dragen bij om een motor soepel te laten draaien en de gewenste hoeveelheid vermogen te laten produceren. Mechanische onderdelen, elektronische componenten en een correct functionerende ECU zijn de belangrijkste factoren. Als een motor niet goed werkt, kan een stabiele rondlooptest worden uitgevoerd om te controleren of de belangrijkste functies correct werken. Een stabiele rondlooptest wordt uitgevoerd op motoren die problematisch zijn, ontstekingsfouten hebben, (het overslaan), of onregelmatige fouten hebben bij bepaalde toerentallen.

Een stabiele rondlooptest is een meting van de belangrijkste in- en uitgangen om vast te stellen of deze goed werken. De belangrijkste ingangen zijn de krukas- en de nokkenassensoren en de belangrijkste uitgangen zijn de injectie en de ontstekingssignalen. De krukas- en de nokkenassensoren zijn positiesensoren die worden gebruikt door de ECU om de stand en het toerental van de motor te bepalen en de uitgangssignalen hier op aan te passen. De stabiele rondlooptest kan worden gebruikt om de nokkenas- en de krukas-timing te controleren, die kan veranderen door een uitgerekte of versprongen distributieriem of -ketting. Naast de krukas- en nokkenassensor maakt de ECU gebruik van signalen van de koelvloeistoftemperatuursensor, luchtmassameter en andere sensoren om de injectie- en de ontstekingsmomenten te bepalen.

De meting in dit voorbeeld wordt uitgevoerd op een goed lopende motor, aan een inductieve krukassensor, een inductieve nokkenassensor, een indirecte injector en het triggersignaal van de COP-ontsteking. Details van elk onderdeel kunnen worden gevonden in de afzonderlijke artikelen, deze meting wordt uitgevoerd om de relatie te tonen tussen deze afzonderlijke signalen in een motormanagementsysteem.

Aansluiten van labscoop

Het uitvoeren van een stabiele rondlooptest kan worden gedaan door het meten van de krukassensor-, nokkenassensor-, de injector-actuator- en de ontstekings-actuator-signaalspanningen, zie figuur 1:

Kanaal Probe Spanning Meetbereik
1 Red probe Signaalspanning op de positieve kant van de krukassensor 8 V
Black probe Signaalspanning op de negatieve kant van de krukassensor
2 Yellow probe Signaalspanning op de positieve kant van de nokkenassensor 4 V
Black probe Signaalspanning op de negatieve kant van de nokkenassensor
3 Green probe Signaalspanning bij injector 80 V
Black probe Massa op accuklem
4 Blue probe Onstekingtriggersignaal 8 V
Black probe Massa op accuklem
Meetschema
Figuur 1: Meetschema
Uitvoeren van een stabiele rondlooptest
Figuur 2: Uitvoeren van een stabiele rondlooptest

De labscoop is met een Meetsnoer TP-C1812B en Backprobe TP-BP85 aangesloten op de krukassensor, nokkenassensor, injectorsignaal en ontstekingstriggersignaal. De labscoop wordt in normale scoopmodus gebruikt.

Meten

In figuur 3 toont de signalen van de krukassensor, nokkenassensor, injector en ontsteking van een motor bij stationair toerental. Dit signaal kan worden gedownload en gebruikt om de labscoop op de juiste manier in te stellen of als referentiesignaal.

Download stabiele rondloop test-meting bij stationair toerental

Download stabiele rondloop test-meting bij 1800 RPM

Labscoopmeting van een stabiele rondlooptest bij stationair toerental

Figuur 3: Labscoopmeting van een stabiele rondlooptest bij stationair toerental

De volgende gemeten signalen zijn getoond:

  • kanaal 1 (rood) toont het krukassensorsignaal
  • kanaal 2 (geel) toont het nokkenassensorsignaal
  • kanaal 3 (groen) toont het injectorsignaal
  • kanaal 4 (blauw) toont het ontstekingstriggersignaal

Eén motorcyclus, aangegeven onderin in de grafiek, bevat twee omwentelingen van de krukas (zichtbaar door twee opeenvolgende golfvorm patronen in de krukassignaal) en een nokkenas omwenteling (zichtbaar door een enkel golfvormpatroon). Het ontstekingstriggersignaal heeft een stijgende flank die de COP-ontsteking activeert en de dalende flank is de werkelijke tijd wanneer de ontsteking moet plaatsvinden. Tijdens een motorcyclus vindt de injectie plaats op het BDP (bovenste dode punt) als de inlaatslag begint. Hierna vindt de compressieslag plaats en net voor het volgende BDP vindt de ontsteking plaats.

Labscoop meting van een stabiele rondlooptest bij 1800 RPM

Figuur 4: Labscoop meting van een stabiele rondlooptest bij 1800 RPM

Figuur 4 toont dezelfde meting met verhoogd motortoerental tot 1800 RPM. De stabiele rondlooptest is ingesteld om dezelfde signalen bij hogere toerentallen te meten. Met het verhoogde motortoerental kunnen zich fouten voordoen, bijvoorbeeld een defecte krukassensor of nokkenas of ontbrekende injecties en ontstekingen die het overslaan van een motor veroorzaken.

Wanneer zich onregelmatige storingen voordoen kan de af-en-toe-storing-meting worden uitgevoerd met de labscoop aangesloten als in deze meting met de instellingen van de af-en-toe-storing-meting.

Diagnose

Wanneer de motor niet goed loopt en de signalen correct lijken te zijn kunnen andere signalen zoals de luchtmassameter of koelvloeistoftemperatuursensor gemeten worden om hun conditie te controleren.

Voor de signalen gemeten in dit meetvoorbeeld kan gerefereerd worden naar de volgende metingen:

GERELATEERDE INFORMATIE

inductieve krukassensor
Met een labscoop wordt gemeten aan een inductieve krukassensor bij starten van de motor en stationair toerental. Het signaal wordt getoond en kan worden gedownload. Verschillende mogelijke afwijkingen van het signaal worden genoemd, waarmee kan worden vastgesteld of de inductieve krukassensor goed werkt.
Nokkenassensor inductief
Met een labscoop wordt gemeten aan een inductieve nokkenassensor tijdens het starten van de motor. Het signaal wordt getoond en kan worden gedownload. Verschillende mogelijke afwijkingen van het signaal worden genoemd, waarmee vastgesteld kan worden of de inductieve nokkenassensor goed werkt.
Indirecte injectiespanning meten
Met een labscoop wordt gemeten aan een injector tijdens stationair toerental van een warme motor. Het signaal wordt getoond en kan worden gedownload. Verschillende mogelijke afwijkingen van het signaal worden genoemd, waarmee kan worden vastgesteld of de injector goed werkt.
COP-ontsteking meting
Met een labscoop wordt gemeten aan een COP-ontsteking met de Coil-on-Plug probe TP-COP750. Het signaal wordt getoond en kan worden gedownload. Verschillende mogelijke afwijkingen van het signaal worden genoemd, waarmee kan worden vastgesteld of de COP-ontsteking goed werkt.
Disclaimer

Dit document is onderhevig aan veranderingen en kan zonder voorafgaande mededeling worden aangepast. Aan dit document kunnen geen rechten worden ontleend.

De informatie in deze applicatie-note is gecontroleerd en wordt als betrouwbaar beschouwd. TiePie engineering kan echter niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden.

Veiligheidswaarschuwing:

  • Controleer voor het meten dat bronnen van gevaarlijk hoge spanning zijn uitgeschakeld of afgeschermd tegen aanraking. Spanningen boven 30 V AC RMS, 42 V AC piek of 60 V DC worden als gevaarlijk beschouwd.
  • Zorg tijdens het meten voor een schone en overzichtelijke werkplek.
  • Deze metingen en procedures dienen als voorbeeld / meetsuggestie en zijn geen voorgeschreven standaard.
  • TiePie engineering kan niet anticiperen op de benodigde veiligheidsmaatregelen voor de bescherming van personen en apparatuur. Ga alvorens te meten eerst na welke veiligheidsmaatregelen van toepassing zijn.